Bernard de Geus
Directeur van het Breed4Food consortium.

De vooruitgang is er dankzij de kennis die verzameld wordt. “De bedrijven binnen het consortium zijn zonder uitzondering zeer kennisintensief,” vertelt de Geus. “Aan alleen kennis heb je niets, je wilt innovatieve oplossingen snel kunnen toepassen. Uit kostenoverweging is het dan veel efficiënter om samen te werken.”
Veel van de benodigde kennis, of het nou om kippen, varkens of rundvee gaat, is voor elk van de vier bedrijven even waardevol. Fokkerijbedrijven selecteren op basis van de genetische aanleg die een kandidaat-ouderdier heeft. In dit selectieproces wordt gebruik gemaakt van genomics. Het gaat bij elk bedrijf om dezelfde kostbare laboratoriumtechnieken. “Voor een klein bedrijf is dit soort onderzoek moeilijk te financieren,” zegt de Geus. “Je hebt veel volume nodig om dit soort onderzoek te kunnen doen. Als gevolg van het topsectorenbeleid zijn er al veel publiek private samenwerkingen ontstaan. Van oudsher zie je dat er vanuit de dierveredeling, maar ook  de plantveredeling, al heel veel werd samengewerkt met kennisinstellingen. Er is sprake van een traditie, en daar past Breed4Food goed in.”

Uitgangsmaterialen

De bedrijven binnen het consortium opereren wereldwijd en zorgen voor zo’n 60 procent van het dierlijk uitgangsmateriaal in de wereld. Volgens de Geus valt of staat de gehele keten bij de kwaliteit en de toepasbaarheid van de uitgangsmaterialen. “Als dat materiaal onderpresteert,” zegt hij, “dan heb je daar in de rest van de keten ook last van. Kwaliteit betekent ook dat het aan bepaalde voorwaarden voldoet. De behoefte naar goed uitgangsmateriaal bij dierveredeling is heel groot. Neem bijvoorbeeld vleesproductie. Daar worden eisen aan gesteld, economische randvoorwaarden, maatschappelijke randvoorwaarden en voor een deel vul je die in op basis van goed uitgangsmateriaal. Hierbij verlies je het welzijn van de dieren niet uit het oog.”

Fundamenteel onderzoek

In een kennisintensieve sector is fundamenteel onderzoek volgens de Geus onontbeerlijk. De Geus: “Bij het ontwikkelen van nieuwe producten is het cruciaal dat je gewoon heel goed fundamenteel onderzoek in Nederland hebt, dat dit ook dichtbij kan plaatsvinden, en daarmee ook zorgt voor goed onderwijs. Bedrijven hebben in toenemende mate behoefte aan hoog gekwalificeerde kenniswerkers. Ik maak me zorgen over het in stand houden van het volume en de kwaliteit van fundamenteel onderzoek. Er zit een gigantisch economisch belang achter, deze bedrijven zorgen voor veel werkgelegenheid. Als je in Nederland helemaal niets zou doen om dit soort allianties te stimuleren, of het voor bedrijven heel onaantrekkelijk maakt om in Nederland hun R&D te doen, dan verdwijnen ze op een gegeven moment. Je moet stinkend je best blijven doen voor de dingen waar je goed in bent. Je ziet een trend dat de overheid de verantwoordelijkheid voor het basale onderzoek afschuift op het bedrijfsleven. Je kan je als overheid echter niet onttrekken aan een stuk verantwoording om zaken op een goede manier in stand te houden. Voor mij laat dit bewustzijn, zeker als het gaat om onze concurrentiepositie, als klein landje in de wereld, nog te wensen over. Onderzoek en ontwikkeling heeft echter nooit echt hoog op politieke agenda gestaan. Ik vraag me daarom weleens af of de politiek zich wel realiseert hoe belangrijk fundamenteel onderzoek en onderwijs in werkelijkheid zijn. Met het oog op de toekomst maak ik me daar wel zorgen over,” aldus de Geus.