Volkert Engelsman
Lid van het IFOAM bestuur.

De vraag naar biologische producten stijgt elk jaar met vijftien tot twintig procent, ook tijdens de recessie. Biologische producten zijn duurder, maar de prijsvergelijking met producten van intensieve landbouw gaat mank, stelt Engelsman. “Bij biologische producten zijn alle milieukosten meegerekend, bij intensieve landbouw worden deze buiten beschouwing gelaten.” Het gaat dan bijvoorbeeld om kosten van landbouwgronden die bij intensief gebruik steeds verder verarmen en kosten van verlies aan waterbergende capaciteit of aantasting van biodiversiteit of klimaat. Die kosten worden doorgeschoven naar volgende generaties. Zo lang milieukosten en gezondheidsrisico’s niet doorberekend worden in de eindprijs, is er geen sprake van een gelijk speelveld in de markt. Doe je dat wel, dan ziet de prijsvergelijking er opeens heel anders uit.”

Grondverlies

“Velen gaan voorbij aan het gegeven dat 35 procent van het broeikaseffect veroorzaakt wordt door de landbouw. Dat koeien die krachtvoer eten in plaats van gras, meer methaan uitstoten en dat in de productie en toepassing van kunstmest lachgas ontstaat.” Biologische landbouw wordt steeds meer gezien als een serieuze mogelijkheid om de toenemende vraag naar voedsel adequaat in te vullen, zeker op de lange termijn. “In 2050 9 miljard monden voeden en daarom steeds meer produceren, klinkt plausibel. Maar de belangrijkere vraag is of we dat met de huidige intensieve landbouwpraktijk volhouden. Dat biologische landbouw minder productief zou zijn, lijkt inmiddels achterhaald. De FAO (Voedsel – en Landbouworganisatie van de VN) concludeert dat we op dit moment wereldwijd 10 miljoen hectare landbouwgrond per jaar verliezen, mede als gevolg van intensieve landbouw. Méér intensieve productie betekent nog snellere uitputting van die gronden tot er, zelfs met gentechnologie, niets meer op groeit. Dan moeten er dus weer nieuwe landbouwgronden komen, bijvoorbeeld ten koste van regenwouden. Biologische landbouw mag dan meer oppervlakte nodig hebben om te produceren, maar in ieder geval minder dan nu door de intensieve landbouw om zeep geholpen wordt.” De FAO bepleit een landbouw die bodemvruchtbaarheid, biodiversiteit en waterbergend vermogen versterkt. “Daar voldoet de intensieve landbouw niet aan en biologische landbouw wel”, stelt Engelsman.

Eerlijke verdeling

Engelsman stelt dat het protest tegen een strikt agrochemische benadering groeit. “Kunstmest levert op korte termijn opbrengstverbetering, maar ook meer ziektegevoeligheid. Uiteraard heeft de agrochemie daar bestrijdingsmiddelen tegen. En uiteraard ook weer tegen de neveneffecten daarvan. Boeren zijn dat agrochemische parasietmodel beu. Investeren in bodemvruchtbaarheid, biodiversiteit, klimaat, weerbaarheid is belangrijk voor ons vermogen om op de lange termijn de wereld te kunnen voeden en het is ook bedrijfseconomisch aantrekkelijker.” Engelsman stelt dat het wereldvoedselvraagstuk overigens eerder een kwestie van eerlijke welvaartverdeling tussen 1e en 3e wereld is dan van opbrengstverbetering. “Door telers in de 3e wereld nog afhankelijker te maken van veelal in de 1e wereld gebaseerde agrochemie wordt die kloof alleen maar groter.”