Het heeft te maken met onder meer landbouw, economie, volksgezondheid en milieu en vereist vergaande samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en kenniscentra. Als je het hebt over voedselbeleid dan noemen de meeste mensen als doel ‘veilig, verantwoord, gezond en duurzaam geproduceerd voedsel’. Een goed voedselbeleid zou zaken als de BSE-crisis, obesitas, het schandaal met het paardenvlees en problemen rond dierenwelzijn effectiever kunnen adresseren. Maar afhankelijk van hoe dichtbij dat beleid komt, variëren de speerpunten. “Op nationaal niveau gaat het om de volksgezondheid en het milieu”, geeft dr. Jeroen Candel van Wageningen Universiteit als voorbeeld. “Op regionaal en lokaal niveau gaat het vaak om werkgelegenheid, stedelijke planning, ruimtelijke indeling en sociale verbindingen.” Ook de omgeving speelt een rol. In Amsterdam, waar stadslandbouw voorkomt, zal een andere invulling worden gegeven aan het beleid dan in Food Valley waar de hele agrofood sector en veel kennisinstituten aanwezig zijn.

Geen gedeelde opvatting

Er zijn nationaal maar ook internationaal maar weinig voorbeelden te vinden van voedselbeleid als geïntegreerd deel van de nationale of lokale overheid. “Noorwegen heeft een voedselbeleid ontwikkeld en in Food Valley zijn er al enkele gemeentes die werken aan een voedselstrategie. Daar zie je in het klein dat voedselbeleid echt effect kan hebben.” Probleem is wel dat er geen gedeelde opvatting bestaat over wat voedselbeleid inhoudt. “Vorig jaar was de wereldtentoonstelling Feeding the Planet in Milaan. Een groot aantal steden heeft toen een commitment ondertekent over verduurzaming van het voedselsysteem. Maar dat heeft nog niet geleid tot een gezamenlijke verklaring wat er nodig is om die verduurzaming te bereiken. Iedereen heeft daarbij een ander idee.”

World Food Center

Dat heeft mogelijk ook te maken met een gebrek aan kennis over de manier waarop ons voedsel wordt geproduceerd. Vandaar dat in Food Valley begin 2017 wordt gestart met de bouw van het World Food Center (WFC). Dit centrum krijgt drie functies: een experience center, een food lab en een innovatiecentrum waar bedrijven technologieën en inzichten op het gebied van food met elkaar delen en samenwerken aan nieuwe ontwikkelingen.

Gewasbescherming

Volgens prof. Dr. Arjen van Tunen, directeur van Keygene, heeft het WFC een belangrijke regionale, nationale zelfs internationale taak. “Wij kunnen als sector, zowel bedrijven als kennisinstituten, interactief laten zien aan verschillende doelgroepen wat de ontwikkelingen zijn en op die manier kunnen wij bijdragen aan een verduurzaming van de land- en tuinbouw. Bijvoorbeeld door onze kennis met betrekking tot gewasbescherming te delen en om het publiek om reacties te vragen.” Veel mensen denken dat chemische bestrijdingsmiddelen noodzakelijk zijn om aantasting door insecten te voorkomen. “Maar je kunt ook de plant zelf minder vatbaar maken door resistentiegenen in te brengen. Zo kun je de plant aanpassen aan de omgeving waarin hij groeit. Daarnaast kun je werken met virusvrij uitgangsmateriaal en in de kassen gebruik maken van biologische bestrijdingsmiddelen, zoals sluipwespen en roofmijten. En zo zijn er tal van mogelijkheden waarbij je met behulp van nieuwe veredelingsmethoden tot een betere opbrengst kunt komen.”

In Food Valley worden, dankzij de samenwerking tussen industrie, overheid en kenniscentra, nieuwe ontwikkelingen gerealiseerd. “Mensen denken vaak dat je alleen met grote stappen en grote maatregelen de verduurzaming van de land- en tuinbouw, een verhoogde opbrengst en klimaataanpassing dichterbij brengt”, stelt Van Tunen. “Het gaat echter juist om de kleine stapjes. Neem bijvoorbeeld de nieuwe luizenresistente sla die wij mede hebben ontwikkeld. Dat is een proces waarbij je eigenschap voor eigenschap gewassen aanpast en verbetert. Als je die resistentie in de sla kunt brengen, is dat een mooie bijdrage aan het verminderen van het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen. Het is een proces van voortdurend verbeteren en daarvoor heb je alle partijen nodig.”